Inzicht
De begrippen van de kapitalisatie.
Rentetermijnen, coëfficiënt, consolidatie, nettorentevoet, generatiesterftetafel: de begrippen uit de fiches, berekeningen en conclusies van de tegenpartij.
Rentetermijnen, coëfficiënt, consolidatie, nettorentevoet, generatiesterftetafel: begrippen uit de fiches, berekeningen en conclusies van de tegenpartij. Elke rubriek heeft een eigen ankerlink. De Franse term staat erbij voor gebruik in een tweetalig dossier.
Verdiscontering
FR: actualisation. Een toekomstig bedrag terugbrengen tot zijn huidige waarde. Bij een positieve rentevoet is een euro over tien jaar minder waard dan een euro morgen, omdat vandaag uitgekeerd kapitaal kan worden belegd en rente opbrengen. Verdiscontering is de kern van kapitalisatie.
Exacte leeftijd
FR: âge exact. Leeftijd tot op de dag, in jaren, maanden en dagen. Twee personen die in hetzelfde jaar maar tien maanden na elkaar zijn geboren, krijgen verschillende coëfficiënten. De rekentools werken met exacte leeftijden.
Rentetermijnen
FR: arrérages. De opeenvolgende betalingen van een rente. Betaling achteraf gebeurt op het einde van elke periode; betaling vooraf aan het begin. Onze conventies gebruiken betaling achteraf met een evenredige aanvullende termijn bij overlijden tussen twee vervaldagen. Zie de rekenconventies. Arrérage betekent hier geen achterstallige betaling.
Kapitalisatie
FR: capitalisation. Een periodieke toekomstige schade — inkomensverlies, hulp van derden, terugkerende kosten — omzetten in een eenmalig kapitaal dat vandaag wordt betaald. Het kapitaal wordt volgens de gekozen veronderstellingen zo bepaald dat het, samen met de renteopbrengst, de verwachte betalingen financiert. Zie Kapitalisatie begrijpen.
Kapitalisatiecoëfficiënt
FR: coefficient de capitalisation. Het getal waarmee het jaarlijkse schadebedrag wordt vermenigvuldigd om het kapitaal te krijgen. Het bundelt de overlevingskans per vervaldag, de verdiscontering en het betalingsschema. Coëfficiënt 29,46 betekent dat € 1.000 per jaar wordt gekapitaliseerd tot € 29.460. Bij meerjaarlijkse kosten vermenigvuldigt de specifieke coëfficiënt het bedrag van één uitgave.
Consolidatie
FR: consolidation. Het moment waarop de artsen de toestand van het slachtoffer als gestabiliseerd beschouwen: de ongeschiktheid zou niet meer gunstig of ongunstig evolueren. Consolidatie scheidt tijdelijke van blijvende schade. Zij is niet automatisch de grens tussen reeds geleden en toekomstige schade.
Gemiddelde vergoedingsduur
FR: durée moyenne d’indemnisation. Het verwachte aantal daadwerkelijk vergoede jaren, rekening houdend met de sterfte. Deze duur verduidelijkt hoeveel jaren gemiddeld worden gefinancierd en helpt bij de keuze van een referentierentevoet, bijvoorbeeld een staatsobligatie met een overeenkomstige looptijd.
Levensverwachting
FR: espérance de vie. De gemiddelde resterende levensduur van een vergelijkbare statistische groep met dezelfde leeftijd, hetzelfde geslacht en hetzelfde berekeningsjaar. Een gemiddelde, geen individuele voorspelling. Zij hangt sterk af van de gekozen tafel.
Indexering
FR: indexation. Periodieke aanpassing van het rentebedrag aan de levensduurte. Verwachte indexering verhoogt het kapitaal en werkt dus tegengesteld aan de rentevoet. Zie nettorentevoet.
Prospectieve of stationaire benadering
FR: lecture prospective ou stationnaire. De prospectieve generatiebenadering volgt de persoon diagonaal: elke toekomstige leeftijd gebruikt de geprojecteerde sterfte van het jaar waarin die leeftijd wordt bereikt. De stationaire benadering houdt de sterfte van het berekeningsjaar vast. De prospectieve benadering maakt de veronderstelde toekomstige evolutie zichtbaar.
Referentiejaar
FR: millésime. Het publicatiejaar van de tafelgegevens. Projecties worden jaarlijks herzien. Vermeld steeds het gebruikte referentiejaar om de berekening controleerbaar te houden.
OLO
FR: obligation linéaire. NL: lineaire obligatie. Een Belgische staatsobligatie op middellange of lange termijn, tot 30 jaar en langer. OLO’s gelden als Belgische referentie voor risicovrij beleggen en worden aangehaald bij de kapitalisatierentevoet. De Nationale Bank van België publiceert de rendementen per looptijd.
Roerende voorheffing
FR: précompte mobilier. Belasting die aan de bron wordt ingehouden op beleggingsinkomsten. De hier beschreven OLO-referentie rekent met 30 %: bruto OLO-rente × 0,70. Dit is de conventie van de referentieberekening; het concrete fiscale regime moet in het dossier worden beoordeeld.
Sterftequotiënt
FR: quotient de mortalité. De kans dat iemand van een bepaalde leeftijd binnen het jaar overlijdt. Het is het basiselement van een sterftetafel en varieert met leeftijd, geslacht en kalenderjaar.
Zekere rente
FR: rente certaine. Een rente die gedurende een vaste duur wordt betaald, ongeacht de overleving. Zij is zuiver financieel. Haar gebruik voor de duur van de gemiddelde levensverwachting kan bij een positieve rentevoet het kapitaal overschatten ten opzichte van een lijfrente: elke betaling is zeker, terwijl de lijfrente rekening houdt met de overlevingskans.
Fictieve rente
FR: rente fictive. Fiscaal mechanisme waarbij bepaalde kapitalen voor een verlies aan belastbaar inkomen worden omgezet in een belastbare fictieve rente, met verwijzing naar artikel 73 KB/WIB 92. De in de aangehaalde rechtsleer beschreven percentages en termijnen zijn leeftijdsafhankelijk: 1 tot 5 %, gedurende 13 of 10 jaar. De toepasselijkheid en eventuele verhoging van het vergoedingskapitaal worden afzonderlijk met de fiscale adviseur van het dossier beoordeeld. De rekentools modelleren dit niet.
Lijfrente
FR: rente viagère. Een rente die wordt betaald zolang de persoon leeft, eventueel tot een eerdere einddatum bij een tijdelijke lijfrente. Elke toekomstige rentetermijn wordt gewogen met de overlevingskans uit de sterftetafel. Een levenslange lijfrente heeft geen eerdere einddatum.
Oververgoeding
FR: surindemnisation. Het overschot dat kan ontstaan als de eenvoudige som van toekomstige rentetermijnen vandaag als kapitaal wordt uitgekeerd: het belegde saldo brengt rente op terwijl het slachtoffer bedragen opneemt. De kapitalisatiecoëfficiënt verwerkt dat effect. Zie Kapitalisatie begrijpen.
Indicatieve Tabel
FR: Tableau indicatif. Aanbevelingen uit de Belgische magistratuur voor de begroting van schade, onder meer huishoudelijke schade. De historische bespreking op deze website verwijst naar de editie 2020 en haar renteaanbeveling van 1 %. Dit is geen verklaring dat die editie of rentevoet vandaag de recentste of verplicht toepasselijke is. Vermeld in het dossier welke editie en onderbouwing worden gebruikt.
Sterftetafel
FR: table de mortalité. Een geheel van sterftequotiënten per leeftijd en geslacht waarmee een overlevingscurve wordt opgebouwd. Op deze website worden drie in de Belgische praktijk gebruikte benaderingen vergeleken: de keuze vergt motivering.
Rentevoet
FR: taux d’intérêt. Het verwachte rendement van het uitgekeerde kapitaal, gebruikt voor de verdiscontering. Hoe hoger de rentevoet, hoe lager het vandaag benodigde kapitaal. De keuze is juridisch en economisch, niet louter actuarieel.
Nettorentevoet
FR: taux net. Volgens de conventie van de rekentools: rentevoet min indexeringsvoet. 3 % rente en 2 % indexering geven 1 % netto. Hoe lager de nettorentevoet, hoe hoger het kapitaal. Bij nul is het kapitaal gelijk aan het jaarbedrag maal de gemiddelde vergoedingsduur. Een negatieve voet is mogelijk wanneer de verwachte inflatie de rente overstijgt. Zie de rentegids.
Mediaanlevensduur
FR: vie médiane. De duur waarna de helft van de statistische groep is overleden, soms onnauwkeurig ‘vermoedelijke levensduur’ genoemd. Zij verschilt van de gemiddelde levensverwachting. Het gebruik voor kapitalisatie is een onderwerp van actuarieel en juridisch debat: de mediaan levert op zichzelf geen financiële gelijkwaardigheid op.
Huishoudelijke schade
FR: dommage ménager. Verlies aan huishoudelijke arbeid door ongeschiktheid of overlijden. De huishoudelijke bijdrage is het aandeel dat het slachtoffer leverde. Persoonlijk onderhoud is het deel voor eigen gebruik. Zie de rekentool.
Uitvaartkosten en vervroegde betaling
FR: frais funéraires et préjudice d’anticipation. Uitvaartkosten omvat ook crematie. De schade door vervroegde betaling is het financiële verschil tussen betaling vandaag en betaling bij het veronderstelde latere overlijden, volgens de gekozen rente- en sterfteveronderstellingen.
Terminologische bronnen
De Nederlandse termen sluiten aan bij Tafels Schryvers, het Federaal Planbureau en Statbel. De uitleg is eigen aan Indemnity; verschillende auteurs kunnen andere methodologische standpunten innemen.