Wat betekent de coëfficiënt?
Hij drukt de huidige waarde van alle toekomstige betalingen uit in jaren verdisconteerde rente. Een coëfficiënt van 28 betekent dat een jaarlijkse rente van € 1 overeenkomt met een kapitaal van € 28.
Inzicht
Waarom een kapitaal dat vandaag wordt betaald lager is dan de som van de rentetermijnen die het vervangt, en waarom dat billijk is zonder afbreuk te doen aan het recht op vergoeding. Tien minuten leestijd, zonder formules.
Het vertrekpunt
Lichamelijke schade veroorzaakt reeds geleden en toekomstige verliezen. Alleen het toekomstige deel, vanaf het vonnis of de overeenkomst, kan worden vergoed met een rente of een vervangend kapitaal.
De schade begint en de tijdelijke gevolgen worden zichtbaar.
De raadsgeneesheren oordelen dat de ongeschiktheid vermoedelijk niet meer zal veranderen, noch gunstig, noch ongunstig.
Deze datum scheidt de reeds geleden schade van de schade die zich in de toekomst zal voordoen.
Hier begint de toekomstLatere verliezen en kosten kunnen als rente of als kapitaal worden vergoed.
De toekomstige schade begint op de dag van het vonnis of de overeenkomst. Alleen dit toekomstige deel van een constante of voldoende voorspelbare schade kan met een rente of een gelijkwaardig kapitaal worden vergoed.
Drie wijzen van vergoeding
Toekomstige schade kan op drie manieren worden vergoed. Twee daarvan beogen gelijkwaardig te zijn; de derde is een globale raming.
Zij wordt periodiek uitgekeerd en geïndexeerd, volgt de schade en eindigt bij overlijden. De verzekeraar die haar uitkeert, legt daarvoor zelf een voorziening aan… door kapitalisatie.
Het eenmalige bedrag dat gelijkwaardig is aan de rente en vanaf vandaag vrij beschikbaar is. Die gelijkwaardigheid vereist een correcte actuariële berekening: de kapitalisatie waarover deze website gaat.
Een bedrag dat zonder actuariële berekening wordt geraamd, voor beperkte of moeilijk becijferbare schadeposten. Eenvoudig, maar zonder aantoonbaar verband met de duur, overleving of rentevoeten.
De keuze tussen rente en kapitaal komt in beginsel toe aan het slachtoffer; de argumenten voor beide staan in de praktijkgids.
De methode, stap voor stap
Kapitaliseren is meer dan een rentevoet op een bedrag toepassen. Eerst moet de schade nauwkeurig worden beschreven. Daarna wordt de coëfficiënt bepaald die haar betalingsschema, duur en onzekerheden weergeeft.
Eén hoofd, twee hoofden of gespreide uitgaven.
Het betalingsschema omzetten in een huidige waarde.
Elke vervaldag aflezen in een sterftetafel.
Rekening houden met de renteopbrengst van het kapitaal.
De verwachte toekomstige rentetermijnen herwaarderen.
Stap 1 — De schade beschrijven
De berekening moet het werkelijke ritme van het verlies volgen: maandelijks, jaarlijks, om de acht jaar, tot een bepaalde datum of zolang iemand leeft.
‘Levenslang’ is geen afzonderlijke berekening naast ‘één hoofd’ of ‘twee hoofden’. Het is de gekozen duur: een lijfrente op één hoofd kan tijdelijk of levenslang zijn. De schadepost bepaalt eerst de soort berekening en vervolgens de einddatum.
Het verlies hangt af van de overleving van één persoon. De rente kan tijdelijk zijn, bijvoorbeeld tot het pensioen, of levenslang lopen.
Naar de rekentool Twee personenDe duur van het verlies hangt af van twee levens, onder meer wanneer een nabestaande verlies lijdt na het overlijden van het slachtoffer.
Naar de rekentool Periodieke uitgavenDe kost keert om de zoveel jaar terug: een prothese, rolstoel, aangepast voertuig of andere periodieke vervanging.
Naar de rekentool Vervroegde betalingDe berekening meet de schade doordat kosten vroeger worden betaald dan bij een normaal levensverloop.
Naar de rekentool Meerdere bestanddelenDe berekening verdeelt het verlies aan huishoudelijke arbeid volgens de ongeschiktheid of het overlijden, de samenstelling van het gezin en de toepasselijke einddata.
Naar de rekentoolStap 2 — Het betalingsschema omzetten
De coëfficiënt vormt de brug tussen een periodiek verlies en het vandaag uitgekeerde eenmalige kapitaal. Hij wordt niet bij het bedrag opgeteld: hij vat de waarde van alle toekomstige betalingen samen.
Hij drukt de huidige waarde van alle toekomstige betalingen uit in jaren verdisconteerde rente. Een coëfficiënt van 28 betekent dat een jaarlijkse rente van € 1 overeenkomt met een kapitaal van € 28.
Wanneer de rente verbonden is aan het leven van een persoon, wordt elke betaling gewogen met de kans dat die persoon op dat tijdstip nog leeft. Een betaling in de nabije toekomst weegt dus zwaarder dan een betaling ver in de toekomst.
De einddatum, de betalingsfrequentie, het aantal betrokken personen, de sterfte, de rente en de indexering worden in één coëfficiënt samengebracht.
Voor een levensafhankelijke rente is deze coëfficiënt levensafhankelijk. De betaling van volgend jaar is bijna zeker; de betaling over dertig jaar telt alleen mee volgens de kans dat de persoon dan nog leeft. De berekening stopt dus niet willekeurig op het exacte einde van de levensverwachting.
Deze weging vermijdt twee vereenvoudigingen: aannemen dat de rente zeker gedurende de volledige levensverwachting wordt betaald, of dat het slachtoffer precies op die gemiddelde datum zal overlijden. De lijfrentecoëfficiënt telt elke betaling op met haar eigen kans.
Stap 3 — De overleving meten
De tafel levert de overlevingskans voor elke vervaldag. Zij wordt gebruikt zodra een betaling van iemands leven afhangt; haar invloed is bijzonder zichtbaar bij een levenslange rente.
Statbel meet de werkelijk vastgestelde overlijdens in België en publiceert tafels per leeftijd en geslacht.
Het raamt hoe de sterfte de komende decennia zal evolueren. Dit prospectieve aspect speelt vooral bij lange looptijden.
Zij passen de officiële prospectieve sterftequotiënten toe tot 2080. Daarna wordt de sterfte van 2080 ongewijzigd behouden.
De methode bekijken Federaal PlanbureauZij vertrekken van de projecties van het Federaal Planbureau, maar bevriezen de toekomstige verbetering van de sterfte na 24 perioden.
De methode bekijken StatbelDeze raming past de door Christian Jaumain beschreven actuariële methode toe op de recentste door Statbel gepubliceerde sterftetafels.
De methode bekijkenEen sterftetafel voorspelt niet de overlijdensdatum van een persoon. Zij geeft voor een vergelijkbare statistische groep de kans om elke rentetermijn te ontvangen. Bij een korte tijdelijke rente liggen de resultaten vaak dicht bij elkaar; bij een levenslange rente wegen de toekomstveronderstellingen zwaarder.
Stappen 4 en 5 — Tijd een waarde geven
Een concreet dossier: een man van 40 jaar, 50 % blijvende ongeschiktheid en een kapitalisatieduur van 39,65 jaar. De som van de toekomstige rentetermijnen bedraagt € 204.638; het gelijkwaardige kapitaal is € 168.249. Het verschil is het verwachte rendement van het nog belegde kapitaal, gecorrigeerd voor de toekomstige indexering van de rente.
Het principe in één minuut
Het kapitaal wordt vandaag uitgekeerd en kan rente opbrengen terwijl het slachtoffer het bedrag van de rente geleidelijk opneemt.
Het kapitaal financiert al alle opnames. De rente op het nog belegde saldo komt daarbovenop en leidt aan het einde tot een overschot.
Op een spaarrekening tegen 1,5 % per jaar zouden de € 204.638, met vervolgens een opname van € 430 per maand gedurende 39,65 jaar, nog € 91.429 op de rekening overlaten.
Deze bewust eenvoudige simulatie gaat uit van een constante maandelijkse rente zonder indexering; de actuariële berekening houdt ook rekening met de overlevingskans.
Het kapitaal en de verwachte renteopbrengst financieren samen dezelfde opnames. Volgens de gekozen veronderstellingen is het saldo op de einddatum opgebruikt, zonder overschot.
Hij houdt rekening met de opbrengst die het nog belegde kapitaal tijdens de vergoedingsperiode kan genereren.
De bij de berekening gekozen voet compenseert de veronderstelde stijging van de levensduurte. Deze voet is een veronderstelling, geen door het instrument opgelegde waarde.
Hoe hoger de nettorentevoet, hoe lager het huidige kapitaal. Ook de vermoedelijke duur, de sterftetafel en het betalingsschema worden in de coëfficiënt verwerkt.
De nettorentevoet meet beide krachten samen: rentevoet − indexeringsvoet.
Van principe naar dossier
Alle schadeposten worden volgens hetzelfde schema gekapitaliseerd: kapitaal = jaarlijks schadebedrag × coëfficiënt. Wat het resultaat verandert, in volgorde van belang:
Bij een lange rente verhoogt een procentpunt minder rente het kapitaal met ongeveer 15 %. Dit is de eerste parameter om te bespreken.
Tijdelijk of levenslang, stationair of prospectief: het verschil bedraagt 5 tot 6 % bij levenslange renten, maar is vrijwel nihil bij korte renten.
Van het ene tafeljaar naar het andere verandert de coëfficiënt nauwelijks. Vermeld het jaar voor de traceerbaarheid.
Klassieke valkuilen (zekere rente, tweede hoofd vergeten, niet-geïndexeerde rentetermijnen) kosten 3 tot meer dan 15 %: de praktijkgids becijfert ze één voor één.
Om te onthouden
Alleen de schade na het vonnis of de overeenkomst kan worden vergoed met een rente of een gelijkwaardig kapitaal.
Eén hoofd, twee hoofden, periodieke betalingen of huishoudelijke schade: kies eerst het betalingsschema dat werkelijk bij de schade past.
Hij zet het jaarbedrag om in kapitaal en verwerkt de einddatum, de overleving, de rentevoeten, de indexering en de betalingsfrequentie.
De sterftetafel, rentevoet en inflatie zijn meer dan technische instellingen: hun bronnen en effecten moeten zichtbaar blijven.
En nu
Welke berekening past bij welke schadepost, wat beïnvloedt het resultaat en welke klassieke valkuilen zijn er? Met cijfers.
VerderIn België bestaan drie methoden naast elkaar. Hun verschil zit in de verwerking van de toekomstige daling van de sterfte en wordt uitgedrukt in jaren levensverwachting.
VerderDe keuzehulp vertrekt van uw dossier, zonder actuarieel jargon, en leidt u in twee keuzes naar de juiste rekentool.
Verder