Inzicht

De rentevoet en de inflatie: waar de cijfers vandaan komen.

Risicovrij beleggen, de door de NBB gepubliceerde OLO-rentevoeten, inflatie en de best gedocumenteerde methode in de Belgische rechtsleer om de kapitalisatierentevoet te kiezen.

11 min leestijd
De rentevoet kan meer doorwegen dan de andere parameters: één procentpunt minder kan het kapitaal met 15 % verhogen. Deze gids behandelt risicoloos beleggen, OLO-rentevoeten, inflatie en de in de Belgische rechtsleer beschreven aanpak van Jaumain.

In het kort

  • Bij een lange rente kan een daling van de rentevoet met één procentpunt het kapitaal met ongeveer 15 % verhogen. Het precieze effect hangt van de looptijd en de andere aannamen af.
  • De basisgedachte is dat het slachtoffer het kapitaal risicoloos belegt, zodat kapitaal en opbrengsten de verloren inkomsten kunnen vervangen. In België dienen OLO's, lineaire obligaties van de Belgische Staat, vaak als referentie.
  • Inflatie werkt in de andere richting: toekomstige uitgaven kosten meer in lopende euro's, waardoor het benodigde kapitaal stijgt. Bij 1,5 % inflatie per jaar vertegenwoordigt € 100 na twintig jaar nog ongeveer € 75 aan oorspronkelijke koopkracht.
  • De kapitalisatierentevoet kan laag, nul of negatief zijn. Dit kan voortvloeien uit de verhouding tussen rendement en inflatie.
  • De rentevoet wordt door de rechter of in overleg tussen de partijen bepaald. Onze rekentools vragen de rentevoet en indexeringsvoet afzonderlijk en bevelen geen waarde aan. Deze gids helpt een keuze te motiveren of te betwisten.

Waarom risicoloos beleggen?

Het vergoedingskapitaal vervangt een rente. Voor een werkelijke gelijkwaardigheid moet het slachtoffer de verloren inkomsten kunnen aanvullen met een belegging waarvan veiligheid en spreiding in de tijd aansluiten bij de schade. Een aandelenbelegging met een aanzienlijk verliesrisico kan daarvoor niet zonder meer als uitgangspunt dienen. De rechtsleer verwijst naar het gedrag van een voorzichtig en redelijk persoon.

In de aangehaalde rechtsleer wordt ook gewezen op het grote aandeel obligaties in de beleggingen waarmee verzekeraars hun voorzieningen dekken. Het argument is dat ook slachtoffers aanspraak moeten kunnen maken op een veilige beleggingsveronderstelling. Historische percentages uit die publicaties zijn geen actuele statistiek over alle verzekeraars.

Wat is een OLO?

Een OLO (Obligation Linéaire, lineaire obligatie) is een referentielening van de Belgische Staat op middellange of lange termijn. Er bestaan looptijden tot dertig jaar en soms vijftig jaar. Belgische staatsobligaties dienen in deze benadering als risicoloze referentie voor de kapitalisatierentevoet.

De Nationale Bank van België publiceert OLO-rendementen per looptijd. De historische reeksen zijn raadpleegbaar via NBB.Stat.

De OLO-aanpak van Jaumain

Actuaris Christian Jaumain, emeritus hoogleraar van UCLouvain, heeft een aanpak uitgewerkt die in de Franstalige rechtsleer uitvoerig wordt besproken. Vier uitgangspunten:

  1. Een passende looptijd. Het kapitaal wordt op de waarderingsdatum ineens belegd in een OLO waarvan de looptijd overeenkomt met de gemiddelde vergoedingsduur. Bij een levenslange rente vormt de levensverwachting een aanknopingspunt. De rekentools tonen de relevante duur bij het resultaat.
  2. Een vaste waarnemingsperiode. Men neemt het gemiddelde OLO-rendement voor die looptijd tijdens het laatste kwartaal van het jaar vóór de waardering. Dat combineert marktactualiteit met stabiliteit binnen een dossier.
  3. Netto in plaats van bruto. In deze berekeningshypothese wordt het brutorendement verminderd met 30 % roerende voorheffing: nettorendement = brutorendement × 0,70.
  4. Een ondergrens van nul voor de rente. Bij een negatief beleggingsrendement wordt 0 % gebruikt, omdat het slachtoffer het geld ook kan aanhouden. De inflatie wordt wel nog verwerkt, zodat de resulterende kapitalisatierentevoet negatief kan zijn.

Historische voorbeelden uit de publicaties: voor tien jaar bedroeg de bruto-OLO-rente eind 2022 2,77 %, of 1,94 % netto in de grondslagen voor 2023. In de grondslagen voor 2024 bedroeg de overeenkomstige nettorente 2,24 %. Dit zijn voorbeelden voor die referentiejaren, geen actuele renteaanbevelingen.

En de inflatie?

Een geïndexeerde vergoedingsrente volgt de levensduurte. Zonder inflatie te verwerken, wordt de toekomstige stijging van de uitgaven buiten beschouwing gelaten. De omvang daarvan blijft onzeker. De aangehaalde historische beschouwingen vermelden gemiddeld ongeveer 1,5 tot 1,8 % inflatie over hun twintigjarige waarnemingsperiode en een piek van 9,25 % in 2022.

Voor toekomstige inflatie combineert deze aanpak de vooruitzichten van het Federaal Planbureau voor de eerstvolgende twee jaren met de inflatiestreefwaarde van de Europese Centrale Bank van 2 % voor de langere termijn, licht verhoogd om uitzonderlijke pieken op te vangen. Daaruit volgt een equivalente constante inflatievoet voor elke vergoedingsduur. Raadpleeg de actuele vooruitzichten op plan.be.

De kapitalisatierentevoet

De rentevoet in het model wordt afgeleid uit de gekozen rente en indexering. In onze rekentools heet hun verschil de nettorentevoet; de exacte rekenconventie staat op de methodologiepagina.

  • Hij kan negatief zijn. In de beschreven grondslagen voor 2023 leverden netto-OLO-rente en inflatie een negatieve kapitalisatierentevoet op voor alle looptijden, tot −0,90 % op tien jaar. In de grondslagen voor 2024 werd die opnieuw positief boven zestien jaar. Een negatieve rentevoet verhoogt het kapitaal. Een deel van de rechtspraak heeft deze economische redenering aanvaard.
  • Hij beïnvloedt het resultaat sterk. Voor een rente over 35 jaar verhoogt een daling van 3 naar 2 % het kapitaal in het aangehaalde voorbeeld met ongeveer 15,6 %. Het effect van één nieuw tafeljaar is in de besproken vergelijking kleiner dan één promille. Die verhoudingen zijn illustratief en hangen van het dossier af.

U voert de rentevoet en indexeringsvoet afzonderlijk in. Zo blijft zichtbaar welke rendements- en inflatieveronderstellingen achter de gecombineerde voet schuilgaan, ook wanneer die negatief is.

Wat zegt de rechtspraak?

Enkele historische aanknopingspunten uit de Franstalige rechtspraak, zonder uitputtend overzicht:

  • Het hof van beroep te Brussel, vierde kamer, 4 december 2018, verwierp de door de verzekeraar voorgestelde 2,5 % wegens gebrek aan aansluiting bij de economische werkelijkheid en nam 0,41 % op basis van de studies van Jaumain. De politierechtbank Henegouwen, afdeling Bergen, 4 maart 2019, volgde een vergelijkbare redenering.
  • De Indicatieve Tabel vermeldde 3 % in de editie 2008 en 1 % in de edities 2012 en 2020. Het behoud van 1 % in 2020, terwijl het verschil tussen netto-OLO-rente en inflatie negatief was geworden, werd in de rechtsleer bekritiseerd. Deze bespreking betreft die historische edities.
  • Sommige uitspraken hanteren hogere rentevoeten van 3 tot 4 % voor niet-vermogensschade. Andere weigeren een onderscheid naar schadepost, onder meer Bergen, 24 juni 2016, R.G.A.R. 2017, nr. 15.364, met verwijzing naar de vrije beschikking over de vergoeding.

Punten van discussie

  • Langetermijninflatie. D. de Callataÿ verdedigt in de besproken publicaties één inflatievoet van 2,83 % ongeacht de duur. Jaumain sluit daarbij aan voor korte looptijden, maar neemt voor langere looptijden een convergentie naar de ECB-doelstelling aan.
  • De OLO als uitgangspunt. Sommige verzekeraars betwisten deze referentie. De tegenvraag uit de rechtsleer is welke andere veilige, liquide belegging met openbaar beschikbare rendementen als uitgangspunt kan dienen.
  • Een negatieve rentevoet. Een deel van de rechtspraak aanvaardt die, een ander deel niet. Voorstanders beschouwen haar als het rekenkundige gevolg van de rendements- en inflatieaannamen.

Meer weten

  • De precieze conventies voor nettorente, rentetermijnen en jaarbasis staan bij de rekenconventies.
  • De gemiddelde vergoedingsduur, gebruikt bij de keuze van een OLO-looptijd, wordt toegelicht in de begrippenlijst en getoond bij de berekeningen.
  • Bronnen: C. Jaumain, « Capitalisation des dommages en droit commun : calcul, critiques et méprises », R.G.A.R. 2022, nr. 15901; « Crise sanitaire, choc des taux d'intérêt, pic d'inflation », R.G.A.R. 2023, nr. 15999; « Bases techniques recommandées », christian-jaumain.be; OLO-gegevens van de NBB en inflatievooruitzichten van het Federaal Planbureau.