Terug naar de rekentool

Technische documentatie

Methode en formules: Huishoudelijke schade

Deze pagina bundelt de rekenconventies, formules en cijfervoorbeelden. Zij vult de rekentool aan zonder het begeleide traject te onderbreken.

Het verlies aan huishoudelijke waarde kapitaliseren: het deel van de huishoudelijke taken dat het slachtoffer niet meer kan uitvoeren bij ongeschiktheid, of niet meer zal uitvoeren na overlijden. De berekening houdt rekening met de samenwonende, kinderen ten laste en, bij overlijden, het persoonlijk onderhoud van het slachtoffer.

In het kort

  • Huishoudelijke arbeid heeft een economische waarde, uitgedrukt in euro per dag voor het volledige gezin: de berekeningsbasis bij 100 %. Daarbij komt een verhoging per kind ten laste tot het einde van de kinderlast, bijvoorbeeld het einde van de studies.
  • Bij ongeschiktheid kan het slachtoffer zijn aandeel in de taken niet meer leveren. Het verlies duurt zolang het slachtoffer leeft, naar verhouding van de ongeschiktheidsgraad en de bijdrage aan de taken.
  • Bij overlijden verdwijnt de bijdrage definitief. Het aandeel voor persoonlijk onderhoud wordt afgetrokken: het deel van het huishoudelijke werk dat voor het slachtoffer zelf bestemd was en niet meer hoeft te worden verricht.
  • De berekening combineert renten op twee hoofden, slachtoffer en samenwonende, opgesplitst in perioden met of zonder kinderen ten laste, elk met een eigen weging.

De parameters

ParameterVoorbeeldRol
Berekeningsbasis, €/dag bij 100 %€ 30Totale huishoudelijke waarde, exclusief kinderen
Verhoging per kind, €/dag€ 10Toeslag zolang het kind ten laste is
Einddatum per kindDatumEinde studies, meerderjarigheid…
Bijdrage van het slachtoffer65 %Aandeel in de taken binnen het koppel
Ongeschiktheidsgraad50 %Verloren deel van de huishoudelijke geschiktheid
Aandelen persoonlijk onderhoud bij overlijden30 % zonder / 15 % met kindHuishoudelijke waarde voor eigen gebruik van het slachtoffer
Einde van de bijdrage, optioneelLeeftijdAls de bijdrage op een bepaalde leeftijd zou eindigen

De onderliggende rente is dagelijks. De coëfficiënten worden toegepast op $36525\times\text$.

Variant ongeschiktheid

Het slachtoffer leeft, maar de huishoudelijke geschiktheid is verminderd. Het verlies loopt zolang het slachtoffer leeft:

K=C×365,25×B×r×wK=\sum C\times365{,}25\times B\times r\times w

Hierbij is BB de dagbasis, rr de ongeschiktheidsgraad en ww de toepasselijke weging. Er zijn twee bestanddelen:

Kcommun:slachtoffer en samenwonende in leven×bijdrage,Ksurvie:slachtoffer in leven, samenwonende overleden×100%.\begin{aligned} K_{\mathrm{commun}} &: \quad \text{slachtoffer en samenwonende in leven}\times\text{bijdrage}, \\ K_{\mathrm{survie}} &: \quad \text{slachtoffer in leven, samenwonende overleden}\times100\,\%. \end{aligned}

Het tweede bestanddeel geeft weer dat het slachtoffer na het overlijden van de samenwonende alle taken van het eigen huishouden zou hebben uitgevoerd. Elk kind voegt dezelfde twee bestanddelen toe, beperkt tot zijn einddatum en toegepast op zijn dagelijkse verhoging.

Voorbeeld: vrouw van 40 jaar, samenwonende van 42 jaar, één kind ten laste tot 2041, dagbasis € 30, verhoging € 10, ongeschiktheid 50 %, bijdrage 65 %, rentevoet 2 %, Jaumain-methode.

BestanddeelCoëfficiëntWegingKapitaal
Gezamenlijk leven26,9365 %€ 95.888
Slachtoffer overleeft samenwonende3,76100 %€ 20.627
Kind: gezamenlijk leven tot 204112,7365 %€ 15.111
Kind: overleving tot 20410,16100 %€ 293
Totaal€ 131.919

Variant overlijden

Het slachtoffer is overleden. De overleving wordt in de tafel afgelezen alsof het ongeval niet had plaatsgevonden: de ‘virtuele’ overleving. Er zijn twee scenario’s.

De samenwonende leeft. Drie bestanddelen, naast de verhogingen:

K1:virtueel gezamenlijk leven zolang een kind ten laste is×(bijdrageaandeel met kind),K2:virtuele overleving van slachtoffer na samenwonende×(100%aandeel met kind),K3:virtueel gezamenlijk leven na de laatste kinderlast×(bijdrageaandeel zonder kind).\begin{aligned} K_1 &: \quad \text{virtueel gezamenlijk leven zolang een kind ten laste is} \\ &\qquad\times\left(\text{bijdrage}-\text{aandeel met kind}\right), \\ K_2 &: \quad \text{virtuele overleving van slachtoffer na samenwonende} \\ &\qquad\times\left(100\,\%-\text{aandeel met kind}\right), \\ K_3 &: \quad \text{virtueel gezamenlijk leven na de laatste kinderlast} \\ &\qquad\times\left(\text{bijdrage}-\text{aandeel zonder kind}\right). \end{aligned}

Voor elk kind worden K1K_1 en K2K_2 beperkt tot de eigen einddatum, gewogen met respectievelijk de bijdrage en $100,%$.

Het gezin verliest de bijdrage van het slachtoffer, maar bespaart diens persoonlijk onderhoud. Die besparing is groter zonder kinderen, bijvoorbeeld 30 %, dan wanneer de huishoudelijke waarde ook voor kinderen bestemd is, bijvoorbeeld 15 %. Het tweede bestanddeel dekt de situatie waarin de samenwonende overlijdt terwijl er nog kinderen ten laste zijn. Het verlies betreft dan de volledige virtuele bijdrage van het slachtoffer.

De samenwonende is eveneens overleden, of het slachtoffer was alleenstaand met kinderen. De kinderen lijden het verlies zolang zij ten laste zijn:

K=virtueel leven van het slachtoffer zolang een kind ten laste is×(100%aandeel met kind)K=\text{virtueel leven van het slachtoffer zolang een kind ten laste is} \times\left(100\,\%-\text{aandeel met kind}\right)

De verhoging voor elk kind wordt tot zijn einddatum voor $100,%$ opgenomen.

Technische conventies

  • Gezamenlijke overleving en overleving na de andere persoon volgen de onafhankelijkheidsveronderstelling; zie de rekenconventies. De identiteit één hoofd = gezamenlijk leven + overleving na de andere persoon is exact.
  • De sterfte van de kinderen wordt niet gemodelleerd. Alleen hun einddata tellen; op de betrokken leeftijden is hun overlijdenskans vóór die einddatum verwaarloosbaar.
  • Dagelijkse renten achteraf, met pro rata bij overlijden; exacte leeftijd tot op de dag; constante of geïndexeerde rente, met nettorentevoet = rentevoet − inflatie.
  • Bestanddelen na de laatste kinderlast worden berekend als het verschil tussen de levenslange en de tijdelijke lijfrente. Zo blijven de perioden exact optelbaar.

Invloed van de parameters

In het voorbeeld is het effect van de tafelkeuze beperkt: € 129.473 voor Schryvers, € 131.280 voor Indemnity en € 131.919 voor Jaumain, ongeveer ±1 %. De economische parameters wegen veel zwaarder. De dagbasis, bijdrage en ongeschiktheidsgraad zijn evenredig met het kapitaal. De aandelen voor persoonlijk onderhoud verminderen het kapitaal bij overlijden. De actuariële berekening objectiveert de duur; de waardering van de huishoudelijke arbeid blijft de inzet van het schadevergoedingsdebat.

Aandachtspunten

  • De basis bij 100 % is exclusief de kinderverhogingen. Neem de waarde voor de kinderen niet ook in de basis op, om dubbeltelling te vermijden.
  • Bewaak bij overlijden de samenhang tussen de twee aandelen: het aandeel ‘met kind’ is logisch lager, omdat de huishoudelijke waarde over meer personen wordt verdeeld.
  • Zou de bijdrage van het slachtoffer op een bepaalde leeftijd eindigen, bijvoorbeeld volgens een scheidingsregeling, gebruik dan een einddatum voor de bijdrage. Anders is de bijdrage levensafhankelijk.