Terug naar de rekentool

Technische documentatie

Methode en formules: Lijfrente op één hoofd

Deze pagina bundelt de rekenconventies, formules en cijfervoorbeelden. Zij vult de rekentool aan zonder het begeleide traject te onderbreken.

De basisberekening voor de vergoeding van blijvende ongeschiktheid: een periodiek verlies van het slachtoffer kapitaliseren, levenslang of tot een bepaalde leeftijd (tijdelijke lijfrente).

In het kort

  • Het slachtoffer lijdt een periodiek verlies: inkomensverlies, hulp van derden of terugkerende kosten. De rekentool zet dit verlies om in een eenmalig kapitaal.
  • Twee vormen: de tijdelijke lijfrente eindigt op een afgesproken leeftijd of datum, doorgaans de pensioenleeftijd bij inkomensverlies; de levenslange lijfrente loopt tot het overlijden, bijvoorbeeld voor hulp van derden of eigen huishoudelijke schade.
  • Het kapitaal is coëfficiënt × jaarlijks rentebedrag. De coëfficiënt hangt af van de exacte leeftijd, het geslacht, de sterftetafel, de rentevoeten en de betalingsperiode.

Inleidend voorbeeld

Een man van 40 jaar, geboren op 1/1/1986, verliest bij een berekening op 1/1/2026 jaarlijks € 1.200 tot zijn 67ste. Bij 2 % rente, een constante rente en de prospectieve Jaumain-methode:

C=20,17K=20,17×1200EUR=24204EURC=20{,}17 \qquad\Longrightarrow\qquad K=20{,}17\times 1\,200\,\mathrm{EUR}=24\,204\,\mathrm{EUR}

De gemiddelde vergoedingsduur is 26,2 jaar op een maximum van 27. Op 40 jaar is de kans om 67 te worden hoog, ongeveer 92 %. De tijdelijke lijfrente kost bijna evenveel als een zekere rente van 27 jaar met coëfficiënt 20,71. Het verschil van ongeveer 2,6 % weerspiegelt het risico op overlijden vóór de einddatum.

De formule

Met p(t)p(t) als overlevingskans na tt jaar, volgens de gekozen tafel en de exacte leeftijd — zie de rekenconventies —, v=1/(1+inet)v=1/(1+i_{\mathrm{net}}) en mm betalingen per jaar:

C=j1mvtjp(tj)+j12mvtj1/(2m)[p(tj1)p(tj)]C = \sum_j \frac{1}{m}v^{t_j}p(t_j) + \sum_j \frac{1}{2m}v^{t_j-1/(2m)} \left[p(t_{j-1})-p(t_j)\right]
  • De som loopt over de vervaldagen tj=j/mt_j=j/m tot de einddatum bij een tijdelijke lijfrente, of tot de overleving uitdooft bij een levenslange lijfrente.
  • De tweede term is de aanvullende rentetermijn bij overlijden, pro rata voor de begonnen periode.
  • Als de resterende duur geen geheel aantal perioden is, wordt een laatste gedeeltelijke rentetermijn pro rata meegeteld.
  • Geïndexeerde rente: inet=iπi_{\mathrm{net}}=i-\pi; constante rente: inet=ii_{\mathrm{net}}=i.

De rekentool toont ook een zekere rente ter vergelijking, zeker betaald over de maximale duur, of over de gemiddelde duur bij een levenslange lijfrente: (1vn)/i(1-v^n)/i. Zie de rekenconventies voor het juiste gebruik van deze grootheid.

Invloed van de parameters

Dezelfde situatie: man, 40 jaar, € 1.200 per jaar, eindleeftijd 67 jaar, rentevoet 2 %.

VariantCoëfficiëntKapitaal
Jaarlijkse rente20,170€ 24.204
Maandelijkse rente (€ 100 per maand)20,354€ 24.425
Geïndexeerde rente (rente 3 %, inflatie 2 %)22,908€ 27.490
Levenslang in plaats van tot 67 jaar29,465€ 35.357
  • Maandelijks betalen verhoogt de coëfficiënt licht, met 0,9 %: de betalingen vallen gemiddeld vroeger in het jaar.
  • Indexering heeft een grote invloed: een nettorentevoet van 1 % in plaats van 2 % verhoogt het kapitaal hier met 13,6 %. Bij een levenslange lijfrente voor een jonge persoon bedraagt het effect meer dan 30 %.
  • De tafelkeuze is minder belangrijk bij tijdelijke lijfrenten: in dit voorbeeld bedragen de coëfficiënten 20,12 / 20,12 / 20,17 voor Schryvers / Indemnity / Jaumain. Bij levenslange lijfrenten voor jonge personen is het verschil betekenisvol; zie de inleiding tot de tafels.

Aandachtspunten

  • De eindleeftijd is de exact bereikte leeftijd. Voor iemand geboren op 1 januari betekent eindleeftijd 67 jaar: 1 januari van het jaar waarin die persoon 67 wordt. De laatste volledige jaarlijkse rentetermijn valt op die datum.
  • Bij inkomensverlies sluit de einddatum doorgaans aan bij de wettelijke pensioenleeftijd. Voor hulp van derden of persoonlijke schade is vaak de volledige levensduur relevant.
  • De stationaire benadering, met bevroren sterfte, vermindert de levenslange coëfficiënt op 40 jaar met ongeveer 7 %. Het gebruik ervan moet worden gemotiveerd; zie de Indemnity-tafels.