Waar de sterftequotiënten vandaan komen
Dezelfde prospectieve quotiënten van het Federaal Planbureau, overgenomen in de meest gangbare tafel in de Belgische schadevergoedingspraktijk.
Sterftetafel
Een in de Belgische praktijk bekende tafel, gebaseerd op de quotiënten van het Federaal Planbureau, met bevriezing van de prospectiviteit na 24 perioden.
Wat gebeurt er met de berekening wanneer de geprojecteerde sterfteverbetering na 24 perioden niet langer wordt verwerkt, zoals in de gepubliceerde tafel?
Dezelfde prospectieve quotiënten van het Federaal Planbureau, overgenomen in de meest gangbare tafel in de Belgische schadevergoedingspraktijk.
De prospectiviteit wordt na 24 perioden bevroren: de toekomstige daling van de sterfte wordt slechts gedurende 24 jaar verwerkt en blijft daarna constant.
Kortere levensverwachtingen op jonge leeftijden (−4,25 jaar bij de geboorte tegenover de Indemnity-tafels), en dus merkbaar lagere kapitalen voor jonge slachtoffers.
Een historische referentie in de Belgische schadevergoedingspraktijk: de jaarlijks gepubliceerde Schryvers-kapitalisatietafels. Onze implementatie reproduceert de gepubliceerde waarden voor de referentiejaren 2025 en 2026.
De Schryvers-tafels zijn een veelgebruikte referentie bij Belgische hoven, rechtbanken en verzekeraars voor de kapitalisatie van schadevergoedingen. Deze methode gebruiken maakt vergelijking mogelijk met de gepubliceerde tafels die de partijen kennen.
De quotiënten worden berekend uit het prospectieve model van het Federaal Planbureau. Zie de Indemnity-tafels voor de volledige opbouw. Per geslacht levert het model drie reeksen parameters: een niveau en een gevoeligheid per leeftijd, en een tijdsindex per kalenderjaar. Daaruit volgt:
bepaalt het sterfteniveau van elke leeftijd, meet de algemene sterfteverbetering door de jaren heen en daalt, en geeft aan hoeveel elke leeftijd van die verbetering profiteert.
Voor een persoon met leeftijd bij de berekening, in referentiejaar , worden de quotiënten diagonaal aaneengeschakeld. Het projectiejaar is echter begrensd op :
Tijdens de eerste 24 jaar wordt de geprojecteerde sterftedaling verwerkt. Daarna blijft de sterfte op het bereikte niveau. Voor referentiejaar 2026 blijft het projectiejaar dus vanaf 2049 gelijk.
De levensverwachting volgt de gemeenschappelijke formule:
De methode publiceert ook de mediaanlevensduur: de leeftijd waarop de overlevingskans onder 50 % daalt, geïnterpoleerd binnen het betrokken jaar. In de hier besproken tafels ligt de mediaan hoger dan het gemiddelde: vroege overlijdens trekken het gemiddelde naar beneden. In de praktijk wordt soms aanbevolen op basis van de mediaan te kapitaliseren. Dat compenseert gedeeltelijk het voorzichtige effect van de bevriezing na 24 jaar.
De coëfficiënt van een lijfrente achteraf bij nettorentevoet gebruikt in de gepubliceerde Schryvers-conventie een samengestelde correctie voor indexering: .
Voor een maandelijkse rente wordt de jaarlijkse coëfficiënt aangepast met de klassieke correctie .
Dit beschrijft de gepubliceerde tafels. De gemeenschappelijke conventies van de rekentools op deze website staan afzonderlijk in de rekenconventies.
Resterende levensverwachting, mannen, berekening en referentiejaar 2026:
| Leeftijd | Schryvers-tafels | Indemnity-tafels | Verschil |
|---|---|---|---|
| 0 | 84,37 | 88,61 | −4,25 |
| 20 | 64,36 | 67,94 | −3,58 |
| 40 | 44,54 | 46,33 | −1,80 |
| 55 | 29,85 | 30,28 | −0,43 |
| 65 | 20,69 | 20,74 | −0,06 |
| 80 | 9,03 | 9,03 | 0,00 |
De bevriezing na 24 jaar heeft vrijwel geen invloed bij oudere personen, maar wel bij jonge personen. Voor een pasgeboren jongen gaat het om 4,25 jaar levensverwachting, of meerdere procenten van het kapitaal van een lijfrente.
Bij korte tijdelijke lijfrenten, bijvoorbeeld inkomensverlies tot 67 jaar voor iemand van 40, liggen de drie methoden dicht bij elkaar: coëfficiënt 20,12 voor Schryvers tegenover 20,17 voor Jaumain bij 2 %. Het effect van de bevriezing is daar nog beperkt.