Inzicht
Een sterftetafel kiezen: een keuze die motivering vergt.
In België bestaan drie methoden naast elkaar. Hun verschil zit in de verwerking van de toekomstige daling van de sterfte en wordt uitgedrukt in jaren levensverwachting.
Drie methoden komen voor in de Belgische praktijk. Het verschil ligt in de behandeling van de toekomstige sterftedaling en kan meerdere jaren levensverwachting en meerdere procenten kapitaal bedragen.
In het kort
- Een sterftetafel geeft voor elke leeftijd de kans om binnen het jaar te overlijden. Zij vormt de basis van levensverwachtings- en kapitalisatieberekeningen.
- De sterfte is op lange termijn gedaald. In een projectie ondergaat iemand die vandaag 40 is op 70 jaar de sterfte van zeventigjarigen in 2056, niet noodzakelijk die van de huidige zeventigjarigen.
- De methoden verschillen in de verwerking van de toekomstige daling: negeren bij een stationaire tafel, tijdelijk volgen en vervolgens bevriezen, of verder doortrekken. Dit kan meerdere jaren levensverwachting en meerdere procenten vergoedingskapitaal schelen.
- Geen enkele tafel is in elk dossier vanzelfsprekend de juiste. Zoals de rentevoet vraagt de keuze een motivering.
Het sterftequotiënt
Het sterftequotiënt is de kans dat iemand met leeftijd overlijdt vóór de leeftijd . Het hangt af van leeftijd, geslacht en kalenderjaar, omdat geneeskunde, preventie en leefomstandigheden veranderen. We schrijven : het quotiënt op leeftijd tijdens jaar .
Enkele ordegroottes voor Belgische mannen in 2026: ongeveer 0,4 % bij de geboorte, minder dan 0,05 % tussen 5 en 15 jaar, ongeveer 0,1 % op 30 jaar, 0,3 % op 50, 1 % op 65, 5 % op 80 en meer dan 20 % op 95 jaar.
Overleving en levensverwachting
Uit de quotiënten volgt de overlevingscurve: de kans om na 1, 2, 3… jaar nog te leven.
De levensverwachting is de som van deze overlevingskansen, plus een half jaar omdat personen die in de loop van een jaar overlijden gemiddeld tot halverwege dat jaar leven:
Deze formule voor de volledige levensverwachting wordt gebruikt in de hier gepresenteerde methoden.
Periodesterftetafel of generatiesterftetafel
De beslissende vraag is: welke quotiënten worden aaneengeschakeld?
De periodesterftetafel, hier stationair gebruikt, neemt de quotiënten van één jaar: , , … Zij geeft een momentopname van de huidige sterfte en houdt die constant. Bij een verdere sterftedaling levert zij een lagere levensduur op dan een generatieprojectie.
De generatiesterftetafel, of prospectieve benadering, volgt de persoon in de tijd: , , … De tafel wordt diagonaal gelezen. Elke toekomstige leeftijd gebruikt de geprojecteerde sterfte van het jaar waarin die leeftijd wordt bereikt. Dit maakt de toekomstige sterfteveronderstellingen zichtbaar in de schadeberekening.
| Man, 40 jaar in 2026 | Resterende levensverwachting |
|---|---|
| Stationair, sterfte van 2026 bevroren | ≈ 41,7 jaar |
| Generatiebenadering, geprojecteerde sterfte | ≈ 46,5 jaar |
Een verschil van bijna 5 jaar, dat bij de geboorte 8 tot 10 jaar kan bedragen.
Waar komen de gegevens vandaan?
Twee Belgische overheidsinstellingen publiceren de basisgegevens:
- Statbel, het Belgische statistiekbureau, publiceert jaarlijks waargenomen sterftetafels, onder meer per exacte leeftijd: sterftetafels en levensverwachting.
- Het Federaal Planbureau publiceert jaarlijks met Statbel de prospectieve sterftequotiënten tot 2080 uit het demografische model: prospectieve sterftequotiënten 2025–2080.
Drie tafels, drie benaderingen van de toekomst
De drie tafels delen dezelfde levensverwachtingsformule en generatiebenadering, maar verschillen in de bron van de quotiënten en de verwerking van de toekomstige sterftedaling.
| Schryvers | Indemnity | Jaumain-methode | |
|---|---|---|---|
| Bron | Prospectief FPB-model | Gepubliceerde prospectieve FPB-quotiënten | Statbel-tafels per exacte leeftijd |
| Toekomstige verbetering | 24 jaar gevolgd, daarna bevroren | Gevolgd tot 2080, daarna bevroren | Zonder tijdslimiet doorgetrokken, met vertraging |
| Leeftijd | Gehele leeftijden in de gepubliceerde tafels | Exacte leeftijd, tot op de dag | Exacte leeftijd, tot op de dag |
| Leeftijdshorizon | 120 jaar | 120 jaar | 105 jaar |
Het effect in cijfers
Resterende levensverwachting in jaren, prospectieve berekening 2026. M = mannen, V = vrouwen.
| Leeftijd | Schryvers M | Indemnity M | Jaumain M | Schryvers V | Indemnity V | Jaumain V |
|---|---|---|---|---|---|---|
| 0 | 84,37 | 88,61 | 90,19 | 86,67 | 89,36 | 91,11 |
| 20 | 64,36 | 67,94 | 68,46 | 66,74 | 69,07 | 70,03 |
| 40 | 44,54 | 46,33 | 46,54 | 46,83 | 48,22 | 48,68 |
| 65 | 20,69 | 20,74 | 21,06 | 23,10 | 23,16 | 23,58 |
| 90 | 4,21 | 4,21 | 4,10 | 4,79 | 4,79 | 4,78 |
| 100 | 2,16 | 2,16 | 1,84 | 2,25 | 2,25 | 2,08 |
Op jonge leeftijden geldt in deze vergelijking . Hoe langer een methode de toekomstige sterftedaling verwerkt, hoe hoger de levensverwachting. Bij de geboorte bedraagt het verschil bij mannen 5,8 jaar. Vanaf ongeveer 60–65 jaar naderen de methoden elkaar. Op zeer hoge leeftijden keert de volgorde om door de afsluiting van Jaumain op 105 jaar.
Omgezet in kapitaal voor een levenslange rente van € 1.200 per jaar bij 2 %, persoon van 40 jaar:
| Schryvers | Indemnity | Jaumain | |
|---|---|---|---|
| Man | € 34.409 | € 35.210 | € 35.357 |
| Vrouw | € 35.603 | € 36.207 | € 36.468 |
Het verschil van ongeveer 2,7 % op 40 jaar neemt sterk toe op jonge leeftijden en verdwijnt vrijwel bij korte tijdelijke lijfrenten.
Klassieke aanknopingspunten uit de rechtsleer
Vóór de vergelijking van methoden zijn enkele uitgangspunten nuttig voor de motivering:
- Een passende bevolking. Gebruik recente gegevens voor het passende geslacht en land. Een buitenlandse of twintig jaar oude tafel vraagt een bijzondere rechtvaardiging.
- Algemene bevolkingssterfte. Een tarieftafel van een verzekeraar kan de selectie van zijn lijfrenteniers bevatten. Zij is niet zonder meer geschikt voor het kapitaliseren van inkomsten over een normale levensduur.
- Sociale en individuele oversterfte. De aangehaalde rechtsleer bespreekt een voorbeeld waarin een fictieve leeftijdsverhoging met drie jaar de coëfficiënt slechts ongeveer 1 % verlaagt. Dit is geen algemene gevoeligheidsregel. Een individuele, duidelijk aangetoonde afwijking kan een gemotiveerde leeftijdscorrectie rechtvaardigen.
- Toetsing achteraf. In het beschreven historische voorbeeld lag de met later waargenomen quotiënten herberekende levensduur van een 65-jarige in 1961 ongeveer 7 % hoger dan de toenmalige stationaire tafel aangaf. Dit illustreert het belang van toekomstige sterfteverbetering.
Hoe motiveert u de keuze?
- Leeftijd. Vóór 40 jaar weegt de verwerking van toekomstige sterftedaling zwaar en kunnen de methoden meerdere jaren verschillen. Na ongeveer 65 jaar liggen de resultaten in de getoonde vergelijking dichter bij elkaar.
- Schadeduur. Bij korte tijdelijke lijfrenten zijn de resultaten bijna gelijk. Bij levenslange of langdurige schade speelt de tafelkeuze sterker.
- Herkomst van de gegevens. Elke fiche vermeldt de oorspronkelijke publicatie, projectiehorizon en leesconventies. Dat biedt controleerbare argumenten voor conclusies in een dossier.
Transparantie: de auteurs van deze website hebben de Indemnity-tafels samengesteld. Hun gedateerde standpunt staat op de methodenfiche. De aanknopingspunten op deze pagina gelden voor alle drie de methoden.
Meer weten
Elke methode heeft een eigen fiche met opbouw, formules, effecten en grenzen: Schryvers, Indemnity en Jaumain.
Vergelijk de drie methoden voor een concreet profiel met de rekentool levensverwachting.